Bij Name Bij Name

In Joh. 10 vinden we de vertrouwde woorden over de goede herder. Zo noemt Jezus zichzelf. In een cultuur waar herders en kudden een bekend verschijnsel zijn, is dit beeld heel direct. Voor ons is dat een stuk minder. Een kudde schapen met een herder, dat is hooguit bekend van een toeristische attractie in de buurt van Dwingeloo. Een keer kijken is daarom beslist een goede zaak. Maar wie vervolgens de bijbel erop naslaat, ziet dat er toch wel grote verschillen zijn. Duidelijk is, dat de herders vroeger in het Midden Oosten een zwaarder, maar vooral veel gevaarlijker bestaan hadden (roofdieren, vs. 11). Wie deze woorden uit Joh 10 wil verstaan, moet bovendien weten dat de herders vroeger vaak een gezamenlijke schaapskooi hadden. Daar brachten ze ’s nachts hun kudden in veiligheid. En om beurten is er iemand die een oogje in het zeil houdt: de deurwachter. Als Jezus in dit beeld spreekt om zichzelf uit te leggen, zegt hij op een gegeven moment : “en hij roept zijn eigen schapen bij name” (vs. 3), en even verderop “ik ken de mijne en de mijnen kennen mij” (vs. 14). Op het eerste gezicht lijkt het dan of alles al vastligt. De schapen, de mensen zijn verdeeld in twee categorieën nl. die bij de goede Herder horen en die niet bij hem horen. Je zou het er benauwd van krijgen. Is alles al beslist buiten mijzelf om? En ligt alles onwrikbaar vast? Daar is weinig evangelie aan.

Zo is het gelukkig niet. Jezus is niet gekomen om een hemelse stand van zaken bekend te maken, maar om mensen tot bekering en geloof te brengen en het eeuwig leven te geven (Joh 3,16). En heel Jezus’ omgang met mensen is erop gericht om ze hun eigen blindheid (9,39) te doen ontdekken en de ogen te openen voor de liefde van God die in Jezus is. Een prachtig voorbeeld daarvan is het gesprek met Nicodemus, waar alles draait om “opnieuw (van boven)geboren te worden (Joh 3). Gods liefde gaat tot heel de wereld uit. Niemand is bijvoorbaat uitgesloten. En als Jezus zijn “eigen schapen” roept, dan is dat in de stal, waar ALLE schapen samen zijn (ook die van de andere herders) en zijn stem kunnen horen. Het evangelie is voor alle mensen van alle volken bedoeld (vgl. vs. 16). En die tot geloof komen, die zijn “zijn eigen schapen” geworden. Wat maakt Jezus tot de goede Herder? Daar is in Joh 10 veel over te vinden. Ik beperk mij tot dit wondermooie dat hij zijn eigen schapen bij name kent. Wij mensen lopen achter vele leidslieden aan. Motto’s en leuzen, idealen en wat niet al houden ons in de ban. Doorgaans komen wij bedrogen uit. Komt dat misschien omdat de herders van vandaag (en altijd) niet wezenlijk in ons zijn geïnteresseerd, maar in slechts een deel? Politici gaat het om je stem. De overheid reduceert elk menselijk probleem tot een financiële kwestie. Voor de handel zijn we consumenten die zoveel te besteden hebben. Voor televisie-makers publiek dat een seintje krijgt als het moet klappen. Telkens zijn deze herders uit op wat wij kunnen bijdragen aan hun zaken (Ez 34). Zij kennen onze naam, ons gezicht niet. Zouden ze ons werkelijk kennen, dan zouden ze ons niet voortdurend met een kluitje in het riet sturen. Want die nieuwe smaak-sensatie, die nieuwe tv-show, het nieuwe politieke plan…ze geven niet een werkelijk antwoord op onze diepste nood en verlangen. Ze leiden ons eerder er van af. Trouwens: wie zijn wij zelf dat wij dat met ons laten doen? Wij leven ver beneden onze stand, ondanks alle cultuur. Zo zijn wij geen beeld-dragers van God (Rom 3,23). Voor Jezus zijn wij geen stemvee of kanonnenvoer of consumenten of applausmachines. Van hem krijgen we geen Sofi-nummer. Hij kent ons bij name, onze persoon, wie wij in wezen zijn. Hij is in ons ge‹nteresseerd niet om onze koopkracht of om de kijkcijfers om daar zijn voordeel mee te doen, maar om wat er in ons hart leeft aan liefde voor God en voor elkaar. En om wat er in ons omgaat aan hoop en verlangen naar vrede. Hij heeft zichzelf juist over voor ons. (10,10vv). Laten wij niet langer horig en verslaafd blijven aan wat niet verzadigen kan. Wie de goede Herder volgt komt niet bedrogen uit. Hij spreekt ons aan bij onze naam. Hij kent onze werkelijke nood: de angst, de zonde, het egoisme. En Hij verlost ons daarvan, meer en meer, een leven lang, door zijn Geest. En de stemmen van andere herders zullen meer en meer vreemd voor ons worden. (10,5) Zo maakt Hij ons vrij voor de dienst van de liefde in een leven van geloof en hoop.

Op de Paasmorgen dwaalt een vrouw radeloos door de graftuin. “Vrouw, waarom weent gij?” klinkt het tot twee keer aan toe. Dan zegt Jezus haar naam (!) “Maria” en breekt de blijdschap van het geloof door (Joh 20,16). Hoort u uw eigen naam al gespeld worden in het evangelie?

terug